De sleutel van het Nachtarchief is zwaarder dan hij eruitziet. Ik draai hem twee keer om, en de deur geeft mee alsof ze op me heeft gewacht. Achter de deur: planken tot aan het plafond, papier dat ruikt naar stof en koude rook, en een enkel licht aan het einde van de gang.
„Mevrouw Elara.” De stem komt niet van waar het licht is. Hij komt van links, uit het donker tussen de folianten. „Je bent op tijd. Dat waardeer ik.”
Konstantin stapt in de schijn van de lamp alsof hij er al die tijd heeft gestaan. Hij is sinds vanavond mijn leidinggevende, ik ken zijn handtekening van drie formulieren. Hij draagt een pak zonder stropdas en ziet eruit als iemand die nooit haast heeft gehad.
„De collecties in het achterste gedeelte zijn niet gecatalogiseerd”, zegt hij. „Je zult ze doorlopen. Niet lezen. Doorlopen.” Hij laat een stilte vallen, zo lang dat ik hem zou kunnen tellen. „Thee?”
Op tafel staan twee kopjes die al dampen. Hij heeft dus geweten dat ik zou komen, en wanneer. Ik ga zitten, en hij gaat tegenover me zitten, maar hij drinkt niet. Hij kijkt me aan terwijl ik drink, zijn handen gevouwen, heel rustig, heel alert.
„Waarom werk je ’s nachts?”, vraag ik. Het is de verkeerde vraag, dat merk ik aan het trekken van zijn mondhoek. „Omdat de boeken ’s nachts stiller zijn”, zegt hij. „En omdat ik niet van de dag houd.”
Achter hem, op de bovenste plank, ligt een band zonder rugtitel, met een rode draad als bladwijzer. Konstantin volgt mijn blik zonder zijn hoofd te bewegen. „Die niet”, zegt hij zacht. „Nog niet.” En hij glimlacht alsof hij me net iets heeft gegeven.


