De huurauto haalt de laatste drie kilometer grindpad alleen in de eerste versnelling. Whispering Pines Ranch, staat er op het bord bij de poort, in letters die mijn grootvader zelf gebrand moet hebben. Ik heb hem twee keer gezien. Nu is de helft van alles wat hij heeft achtergelaten van mij.
De man op de veranda staat niet op als ik uitstap. Hij zit in een stoel, met zijn hoed in zijn nek, en kijkt toe hoe ik in Rotterdamse laarzen over het erf kom. „U bent de kleindochter“, zegt hij. „Ida“, zeg ik. „Cole“, zegt hij. Meer zegt hij niet.
De advocaat heeft het aan de telefoon uitgelegd: de andere helft is van de voorman. Ik had me een oude man voorgesteld. Cole is niet oud. Cole is woedend, zo stil woedend als mensen zijn die iets al jaren met hun handen vasthouden en nu zien hoe iemand ernaar grijpt.
„Ik verkoop niet“, zegt hij, voordat ik mijn tas heb neergezet. „Ik heb nog niets gezegd.“ – „U heeft een galerie in Rotterdam. U bent hier om te tekenen en te gaan.“ Hij heeft gelijk. Ik haat dat hij gelijk heeft.
Het huis ruikt naar hout en koffie en hond. In de keuken staat een tweede kop, onafgewassen. Cole ziet dat ik het zie. 'Uw grootvader', zegt hij. 'Ik heb hem nog niet opgeruimd.' Zijn stem verandert bij die zin, heel licht, en dan is hij weer hard.
Hij laat me de kamer zien. Het is de kleinste in het huis, met uitzicht op het hek. 'De andere was van hem', zegt hij. 'Die houd ik gesloten.' Ik zou erop kunnen staan. Het is voor de helft van mij. Ik sta er niet op.
Later, bij het hek, met de wind die uit de bergen komt, gaat hij naast me staan. 'Vier weken', zegt hij. 'Zo lang heeft de rechtbank nodig. Blijf zo lang, en zeg me dan nog eens dat je wilt verkopen.' Hij steekt me zijn hand toe, zoals je een contract sluit, zonder te glimlachen.

