De inkt op het contract is nog niet droog als ik de clausule zie. Klein, onder het zegel, in een schrift dat beweegt als ik er niet rechtstreeks naar kijk. Zeven jaar. Geen enkele nacht.
'Je hebt getekend, boekbindster.' De bode heeft spitse tanden als hij glimlacht, en hij glimlacht nu. 'De Winterhof verwacht je.'
De weg naar beneden gaat door het ijs van het meer, niet eroverheen. Ik loop een trap van bevroren water en boven mij zwemmen donkere vissen, langzaam, alsof ze alle tijd van de wereld hebben. Beneden opent zich een zaal, wit en blauw, vol stemmen die verstommen als ik binnenkom. Ik tel de treden om niet aan de zeven jaar te denken en kom op honderdzeven.
De hovelingen staan in groepjes. Eén houdt een munt omhoog, een ander pakt hem aan. Ze wedden. Op mij. 'Drie manen', zegt een vrouw met vorstbloemen in haar haar. 'Hoogstens.'
Aan het einde van de zaal zit hij. Koning Cael. Hij is jonger dan ik dacht en ouder dan iemand eruit zou moeten zien. Zijn gezicht beweegt niet terwijl ik dichterbij kom. Men zegt dat hij al honderd jaar niet heeft geglimlacht. Ik geloof het meteen.
"Runa", zegt hij, en mijn naam klinkt in zijn mond als iets dat hij lang niet heeft gebruikt. "Jij zult de boeken van het hof binden. Allemaal. En je zult me niet aankijken als je dat niet hoeft."
"Waarom niet?", vraag ik. De zaal houdt de adem in. Cael kantelt zijn hoofd, een centimeter, niet meer. "Omdat ik het je verbied", zegt hij, "en omdat ik niet wil dat je ontdekt waarom."



