De jurk is niet van mij. De naam is niet van mij. De uitnodiging die de man bij de poort van het paleis in zijn handen heeft en met een knik teruggeeft, is niet van mij. Maar de trap die ik oploop, die neem ik voor mezelf.
„Signorina Contarini“, zegt een bediende, en ik antwoord niet, omdat een vrouw zoals zij niet op haar naam reageert. Ze heeft me dat geleerd, in zevenentwintig maanden als haar assistent. Vanavond ben ik haar, en zij ligt met koorts in het hotel.
De zaal is goud en kaarslicht en maskers, honderden die draaien. Ik sta aan de rand, in smaragdgroene zijde, mijn gezicht achter parelmoer, en adem zoals zij ademt: langzaam, alsof de lucht haar eigendom is.
„U bent gekomen.“ De gastheer. Lorenzo. Ik ken hem uit dossiers, uit telefoongesprekken, uit de klank van zijn stem aan de andere kant van de lijn, wanneer ik hem heb doorverbonden. Hij kent mij niet. Hij kent haar.
„Ik had gehoopt dat u zou komen“, zegt hij, en zijn masker is zwart en eenvoudig, en eronder glimlacht iemand die niet vaak glimlacht. „U hebt vier uitnodigingen afgezegd.“ Ik weet het. Ik heb de afzeggingen geschreven.
Hij steekt zijn hand naar me uit. Niet de vraag of ik wil dansen. De hand. Ik leg de mijne erin, en de muziek pakt ons op, en hij leidt alsof hij weet dat ik nog nooit in deze zaal heb gedanst.
„U danst anders dan ik dacht“, zegt hij na de eerste draai, dicht bij mijn oor. „Lichter.“ Mijn hart klopt tegen de zijde die niet van mij is. De waarheid kost nu een dans. Over een uur zal ze meer kosten.





