De diagnose van mijn partner ligt op de tafel van de coach: kruisband, zes maanden. De Olympische kwalificatie is over zes weken. Ik heb de cijfers drie keer gelezen, alsof ze zouden kunnen veranderen.
„Er is een vervanger”, zegt de coach. Ze kijkt me niet aan als ze het zegt. Dat is het eerste teken. Het tweede is de deur die opengaat, en Viktor die binnenkomt, de schaatsen al over zijn schouder.
Twee jaar geleden zei hij in een microfoon dat ik technisch perfect en emotioneel leeg ben. Die zin staat in elk artikel over mij. Ik heb hem sindsdien niet aangekeken. Ik kijk hem nu aan.
„Lena”, zegt hij, en het klinkt neutraal, geoefend neutraal. „Viktor.” De coach schuift ons een blad toe. De kür. Het thema: Liefde. Ik lach, kort, en het echoot in de lege hal.
„Dit is de muziek die al gekozen is”, zegt ze. „We veranderen niets.” Viktor leest het blad. Hij lacht niet. „De til in het derde deel”, zegt hij, „heeft vertrouwen nodig. Ze moet in mijn handen vallen, zonder te kijken.”
Op het ijs is het koud, zoals altijd, maar vandaag merk ik het. Hij gaat achter me staan, voor de eerste til, en zijn handen leggen zich op mijn heupen, zakelijk, precies op de plek waar ze horen. „Klaar?”, vraagt hij.
Ik ben niet klaar. Ik val toch achterover, met gesloten ogen, zoals de figuur vereist, en hij vangt me, en voor een seconde is zijn gezicht boven het mijne en zijn stem heel zacht: „Zie je wel. Niet leeg.”





