Om 0:14 uur gaat de bel bij de receptie van Villa Meran, terwijl er niemand in de gang staat. Ik weet wie het is voordat ik opkijk. De gast uit kamer 12 komt elke nacht, altijd na middernacht, altijd alleen. Villa Meran heeft op dit tijdstip alleen mij nog, het tikken van de staande klok en het licht boven de balie.
'Goedenavond, Mara.' Hij leunt met zijn onderarmen op de balie. Ik heb hem mijn naam niet verteld. Op het bordje staat alleen 'Receptie'.
'U heeft verlengd', zeg ik. 'Een week.' Hij knikt. 'Het huis bevalt me.' Het huis heeft veertig kamers, twaalf zijn bezet en geen van de andere elf heeft ooit na middernacht gebeld.
Buiten ligt het park in het donker, in de open haard van de hal is alleen nog gloed. Ik heb de kaarsen op de balie aangestoken omdat de nachtdienst lang is en omdat niemand het verbiedt. Hij kijkt naar de vlammen, dan naar mij.
'Wat doet u als een gast u iets toevertrouwt wat hij aan niemand anders kan vertellen?' Ik leg de pen neer. Deze vraag staat in geen enkele training. 'Ik luister', zeg ik. 'En ik vergeet het als hij dat wil.'
Hij haalt een kamersleutel uit zijn zak, oud, van messing, met een 12 erop. Legt hem op de balie, tussen ons in. 'Ik wil dat u hem vannacht bewaart.'
'Waarom?', vraag ik. Hij glimlacht voor het eerst in vijf nachten. 'Omdat ik wil weten of u hem gebruikt.' Dan loopt hij de trap op en de sleutel ligt voor me in het kaarslicht.





