De motor hoest twee keer en sterft precies op de plek waar de provinciale weg de afslag naar het dorp maakt. Ik rol uit, de knipperlicht nog aan, en lees het bord dat ik tien jaar niet heb gelezen. Ik heb hier leren fietsen. Ik heb hier leren weggaan.
Het nummer van de sleepdienst staat bij de bushalte, handgeschreven, onder een verbleekte poster van het schuttersfeest. Ik bel. Een stem zegt: 'Ja?' Ik ken die stem. Ik hang op.
Twintig minuten later komt de wagen toch. Ben stapt uit, veegt zijn handen af aan een lap, en blijft drie meter voor me staan. Zijn blik blijft op mij. Hij zegt mijn naam niet. Hij zegt: 'Koppeling of versnellingsbak?'
'Ik weet het niet', zeg ik. 'Ik ben advocaat, geen monteur.' – 'Ik weet wat je bent.' Hij loopt om de auto, tilt de motorkap op, kijkt erin, en ik zie zijn nek en de plek waar ik vroeger mijn hand heb gelegd.
"Een week", zegt hij. "Minstens. Dat onderdeel moet besteld worden." – "Ik heb maandag een afspraak in de stad." – "Dan neem je de bus." Hij laat de motorkap vallen en de klap blijft tussen ons hangen.
Op de bijrijdersstoel van zijn sleepwagen ligt een wollen deken die ik herken. Grijs met een rode rand. Vroeger lag hij op mijn bed. Ik zeg niets. Hij ziet dat ik hem gezien heb en zegt ook niets.
"Het pension is dicht", zegt hij als we wegrijden. "Je moeder heeft het huis verkocht. Alleen de kamer boven de werkplaats is er nog." Hij kijkt naar de weg. "Of je vertelt me eindelijk waarom je destijds niet eens een briefje hebt achtergelaten."



