Mijn telefoon staat uit, sinds Amsterdam. Ik heb hem niet uitgezet om hem niet te lezen, maar om te horen of ik het uithoud. De coupé is klein, het licht is geel, en ik heb beide zitplaatsen voor mezelf. Tot de deur opengaat.
"Plaats 61?" De man houdt een ticket omhoog alsof het een bewijs is. Ik houd het mijne ernaast. Hetzelfde nummer, dezelfde wagon, dezelfde trein naar Verona.
"Dat is een fout", zeg ik. "Zeker weten", zegt hij, en glimlacht alsof het geen fout is. Hij zet zijn tas in het bagagerek, zonder te vragen, en gaat bij het raam zitten, zonder te vragen.
De trein schokt op. Twaalf uur, geen halte waar ik zou uitstappen. De conducteur haalt zijn schouders op, noteert iets en gaat weg. De vreemdeling kijkt toe hoe ik probeer boos te zijn.
"Waarom Verona?", vraagt hij. "Waarom niet?", zeg ik. Hij knikt alsof ik iets slims heb gezegd. "En u?" Hij kijkt uit het raam, waar de lichten van de voorstad voorbijtrekken. "Ik ben iemand iets schuldig." Meer niet.
Rond elf uur haalt hij twee papieren bekertjes uit zijn tas en een thermoskan. Hij heeft voor twee ingepakt. "Ik pak altijd voor twee in", zegt hij, voordat ik kan vragen. "Gewoonte." Het klinkt als een leugen die hij zichzelf al vaak heeft verteld.
Hij geeft me het bekertje, en zijn hand blijft een moment te lang op de mijne. Niet per ongeluk. Buiten wordt het zwart, en in het raam zie ik ons beiden, klein en helder, als twee mensen die elkaar kennen.



