Sofia omhelst me bij de poort van het landhotel, en over haar schouder zie ik hem. Matteo. Hij draagt kisten uit een bestelwagen, de mouwen opgestroopt, en hij kijkt niet. Acht jaar. Hij weet dat ik het ben. Ik zie het aan hoe hij de kist neerzet.
'Je blijft in de blauwe kamer', zegt Sofia, 'naast Matteo, ik hoop dat het oké is, het was de enige die nog vrij was.' Het is oké. Het is helemaal niet oké. Ik glimlach en zeg dat ik me verheug.
Ik ben de fotograaf op de bruiloft, omdat ik de beste vriendin ben en omdat fotograferen is wat ik kan. Ik stel de camera scherp op olijfbomen, op wijnflessen, op de handen van de bruid. Niet op hem. Geen enkele keer op hem.
Tijdens het diner zit hij tegenover me. Natuurlijk. De tafel is lang, en de familie luidruchtig, en tussen ons staan brood en olie en acht jaar stilte. Hij zegt: 'Valentina.' Ik zeg: 'Matteo.' Dat was het hele gesprek.
Dan grijpt hij naar de karaf, en de mouw glijdt omhoog, en ik zie de ketting. Zilver, dun, met het kleine hangertje dat ik destijds in zijn vuist zag, in de nacht met de storm, voordat hij me kuste. Hij draagt hem. Nog steeds.
Hij merkt dat ik kijk. Hij trekt de mouw niet naar beneden. Hij kijkt me gewoon aan, rustig, zoals iemand die lang op een perron heeft gewacht en niet meer zeker weet of de trein nog komt.
Na het eten sta ik in de gang voor de blauwe kamer. Zijn deur is ernaast, op een kier, licht erachter. Drie dagen tot de bruiloft. Drie nachten in deze gang.
