Het hout komt op dinsdag, zoals de vrouw in de winkel zei. De boswachter brengt het. Hij stapelt het naast de hut van mijn grootmoeder, zonder aan te bellen, en ik zie vanuit het raam hoe hij de blokken legt: precies, zonder haast, zoals iemand die dit al vaak voor dit huis heeft gedaan.
‘Luca’, zegt hij, als ik naar buiten kom. Hij veegt zijn handen niet af voordat hij me er een geeft. ‘Uw grootmoeder bestelde altijd twee stère. Ik heb er twee gebracht.’ – ‘Ik blijf niet lang.’ – ‘Dat hebben ze allemaal gezegd die hier zijn komen wonen.’
De hut ligt een uur boven het dorp, in de Drentse bossen, waar de weg ophoudt en het bos begint. Ik heb hem geërfd met een brief waarin mijn grootmoeder drie dingen schreef: Het hout komt op dinsdag. De ramen blijven 's nachts gesloten. Vertrouw de boswachter niet.
‘In het dorp zeggen ze dat het bos 's nachts niet veilig is’, zeg ik. Luca kijkt naar de bomen. ‘Het dorp heeft gelijk.’ – ‘Waarom?’ – ‘Wolven.’ Hij zegt het achteloos, zoals je regen zegt. ‘Je zult ze horen. Je zult niet naar buiten gaan.’ Het tweede klinkt niet als een voorspelling.
Hij is eenendertig, schat ik, net als ik, of ouder; in het bos verouderen mensen anders. Hij heeft handen die niet trillen, en ogen die – ik kijk nog eens. De zon staat laag, en in het licht reflecteren zijn ogen kort, helder, vals, als die van een dier in de koplampen.
Dan is het voorbij, en hij kijkt me aan met heel gewone ogen, bruin, moe, en vraagt of de kachel trekt. ‘Ja’, zeg ik. Ik heb hem nog niet aangestoken. Hij weet het, denk ik.
‘Irina’, zegt hij bij de deur, en ik heb hem mijn naam niet verteld. ‘De brief van uw grootmoeder. De derde zin.’ Hij wacht niet of ik hem ken. ‘Die geldt nog.’ Dan loopt hij het pad af, en in het bos links van hem beweegt iets groots mee.





