De boeken liggen onder de derde vloerplaat in de wijnkelder, waar mijn man ze heeft neergelegd voordat ze hem op de Via Toledo hebben doodgeschoten. Ik heb ze sindsdien elke nacht geteld. Zeven delen. Handschrift. Elk getal erin is een naam, en elke naam is een reden om me te komen halen.
De auto komt om negen uur. Ik hoor hem voordat ik hem zie, omdat het huis op de heuvel ligt en de weg lang is en ik al zes weken niets anders doe dan luisteren. Een man stapt uit. Alleen. Dat is de eerste verrassing.
„Signora Chiara.“ Dante. De opvolger. Ik heb hem op de begrafenis gezien, in de derde rij, met een gezicht dat niet rouwde en niet triomfeerde. Hij neemt geen hoed af omdat hij er geen draagt. Hij staat voor mijn deur en wacht tot ik hem helemaal open.
„Ik kom om u mijn bescherming aan te bieden.“ – „Ik heb er niet om gevraagd.“ – „Dat weet ik. Anders was ik niet gekomen.“ Hij kijkt langs me heen de gang in, waar de foto van mijn man hangt, en kijkt terug. Hij heeft niets gezocht. Hij heeft alleen laten zien dat hij weet waar hij hangt.
Ik ben vijfendertig en sinds zes weken weduwe en sinds twaalf jaar de vrouw van een man die mij alles heeft uitgelegd behalve het allerbelangrijkste. Dante is jonger dan hij was. Rustiger. Gevaarlijker, denk ik, omdat hij niets hoeft te bewijzen.
‘Kom binnen’, zeg ik, omdat je een capo niet op de drempel laat staan, en omdat ik wil weten of hij naar de wijnkelder kijkt. Hij kijkt er niet naar. Hij gaat in de stoel van mijn man zitten, zonder te vragen, en dan, als hij mijn blik opmerkt, staat hij weer op.
‘Neem me niet kwalijk.’ Hij neemt de andere stoel. ‘Er zijn mensen die denken dat uw man aantekeningen heeft achtergelaten’, zegt hij. ‘Ik geloof dat niet.’ Hij kijkt me aan, en zijn blik zegt: ik geloof het juist wel. ‘Ik wil dat u weet dat ik dat niet geloof.’



