De wond zit onder de rib, waar de schubben het dunst zijn als ik de andere gedaante draag. In deze gedaante is het alleen huid, en het bloedt als huid. Ik heb het tot de stadsmuur van Eskaar gehaald, dan tot de markt, dan niet verder.
'Niet bewegen.' Een vrouwenstem, jong, zonder angst. Handen op mijn zij, warm. Ik wil ze afschudden, al eeuwen schud ik handen af, maar het lichaam gehoorzaamt niet. 'Ik ben Liora. Ik ben genezer. Je sterft als je nu opstaat.'
Ik sterf niet. Ik kan niet sterven, niet zo. Maar dat mag ze niet weten, en de pijn maakt het gemakkelijk om haar in de waan te laten. Ze naait. Haar vingers zijn zeker. Ze neuriet erbij, zonder het te merken.
„Hoe heet je?“ – „Kael.“ – „Wat doe je in Eskaar, Kael?“ Ik bewaak het. Al driehonderd jaar. „Ik ben op doorreis.“ Ze kijkt me aan, kort, en ik zie dat ze de leugen hoort en niet verder volgt. Nog niet.
„De wond is schoon“, zegt ze. „Te schoon. Alsof hij al begonnen was te genezen voordat je hier was.“ Ze legt haar hand plat op het verband. „Wat ben je?“ Ze vraagt het zacht, zoals je een schuw dier vraagt.
In haar huis ruikt het naar kruiden en rook. Door het raam zie ik de muur, die ik duizend keer ben overgevlogen. Ik heb nooit gevraagd wie er achter de ramen woont. Nu ligt een van die mensen met haar hand op mijn wond en wacht op een antwoord.
„Iemand die niet kan blijven“, zeg ik. Liora knikt, alsof ze dat al vaker heeft gehoord, staat op en vergrendelt de deur. Van binnenuit. „Blijf dan tenminste tot je kunt gaan“, zegt ze.






