De druiven zijn rijp. Ik zie het vanuit de auto, voordat ik het huis zie, aan de kleur van de hellingen boven de Maas. Mijn vader zou deze week hebben geoogst. Hij is negen dagen dood, en de druiven weten het niet.
Helene staat in de tuin, in laarzen, een kist op haar heup. Ze is de vrouw van mijn vader. Ze is vijf jaar ouder dan ik. Ze kijkt me aan zoals je naar een leverancier kijkt die te laat komt.
'Je bent begonnen', zeg ik. 'De oogst wacht niet op begrafenissen', zegt ze. 'En niet op zonen.' Ze zet de kist neer. Haar handen zijn blauw van het sap. Ik heb haar aan deze tafel nooit zonder handschoenen gezien, toen mijn vader nog leefde.
De notaris zei: ieder de helft. Het huis, de helling, de naam. Ik wilde verkopen. Ik had het al in de auto besloten, ergens achter Koblenz. Nu sta ik in de tuin, en de geur van most komt uit de kelder, en het besluit wordt dun.
'Ik heb iemand nodig voor het onderste perceel', zegt Helene. 'De jongen van de buurman is ziek.' Ze zegt niet: Help me. Ze zegt het zo dat ik het zou kunnen weigeren. 'Ik ben wijnboer', zeg ik. 'Dat weet ik', zegt ze. 'Hij heeft er vaak over verteld.'
We werken tot het donker wordt, drie rijen uit elkaar, zonder te praten. Haar schaar klikt in het ritme dat ik van hem ken. Hij heeft het haar geleerd. De gedachte doet pijn, anders dan ik had verwacht.
Aan het einde van de rij wacht ze op me. Ze houdt me een druif voor, een enkele, van de onderste tros. 'Proef', zegt ze. 'Zeg me of hij gelijk had over dit jaar.' Haar vingers zijn koud en kleuren de mijne.



